HOE HET MEISJE HAAR FILTER VERLOOR

DEEL 1

Het meisje geniet van het geritsel van het papier als ze de bladzijde van het boek omslaat. Het geluid heeft altijd iets magisch. Alsof je er slimmer van word op het moment dat je er naar luistert. Opgezogen door het spannende verhaal dat gaat over een geheime afdeling op een kunst academie in Den Haag neemt ze nog een slok van haar lauw geworden thee. Afgelopen week is ze bij haar familie in Nederland op bezoek geweest. Ze heeft uren lang gekookt met haar moeder en gespeeld met de kinderen van haar broers. Ze zou zelf ook wel kinderen willen maar zij en haar vriend hebben besloten daar nog mee te wachten. Door de grote werkdruk die haar vriend nu ervaart en de zorg voor de varkens op de boerderij is het beter om het stichten van een gezin nog even uit te stellen. Op avonden als deze vind het meisje dit ook helemaal niet erg. Nu heeft ze tenminste tijd om te lezen, zichzelf te ontwikkelen. Ze leunt nog iets verder achterover in de grote leren stoel die in de hoek van de met kaarsen verlichtte kamer staat. Ze kijkt van haar boek op naar de grote open haard waar het vuur langzaam begint te doven. Het is eind Februari en ijzig koud in dit Noord Franse dorpje dus stookt ze de kachel flink op om de temperatuur enigszins aangenaam te krijgen tussen de dikke stenen muren. Het meisje vind de kou buiten juist prettig maar binnen heeft ze het toch liever boven het vriespunt. Ze vind het heerlijk als ze s’ochtends vroeg naar buiten de kou in moet om de varkens te voeren. Soms, zoals vanochtend ging ze eerst naar het dorp voor haar dagelijkse boodschappen voordat ze de varkens hun eerste maaltijd ging voeren. Nadat ze bij de bakker een pain au chocolat had gegeten en een aantal potten confit de ganard had gekocht kwam ze met haar boodschappen tassen de stal in. Ze kreeg van de varkens direct een enthousiaste begroeting zoals ze die altijd krijgt. Het grootste varken dat ze Thijmen heeft genoemd, had door de ochtend zonder eten blijkbaar zo’n grote honger gekregen dat hij in zijn enthousiasme boven op haar sprong. Ze kon door het gewicht van het enorme zwijn niet rechtop blijven staan en ze kukelde achterover. Daarmee scheurde een van de boodschappen tassen waarin ze de blikken confit de Ganard had gestopt en die vlogen nu door het hooi op de stalvloer. De varkens dachten dat het hun eten was en ze stormden er met zijn allen op af. Het meisje kreeg een trap in haar zij van een van de varkens en nog voor ze kon reageren hadden ze alle blikken confit de Ganard tussen hun grote kaken meegenomen. Met hun logge hoeven stampten ze bovenop het metaal waardoor de blikken afsnel open zijn gebarsten.

Ze is toen snel opgestaan en heeft geprobeerd de blikken veilig te stellen. Maar van een van de blikken lag de inhoud al tussen het stro en de varkens stonden gulzig het vlees naar binnen te schrokken. Het was op dat moment zelfs voor het meisje lastig om geen vulgaire taal uit te slaan. Ze heeft zo goed en zo kwaad als dat het ging de varkens opzij geduwd en de confit de Ganard van de vloer geschraapt. De etiketten met een paarse eend erop die je vrolijk toelacht zag er een stuk minder vrolijk uit door de varkensstront die er nu aan vast geplakt zat. Ze baalde dat ze nu iets anders moest verzinnen om te eten die avond. Wellicht een gebraden kip met de kop er nog aan. Het zou iniedergeval geen gekonfijte eend meer worden. Op dit soort momenten vind ze het werken op de boerderij zwaar, en wilde ze dat ze ervoor had gekozen haar vriend te vergezellen.

Haar vriend zit nu in groenland. Hij heeft een eskimo met Jill de la tourette gevonden en ze kan hem maar slecht bereiken want de verbinding in Groenland is altijd erg slecht. Glimlachend in haar stoel denkt ze terug aan de dag dat ze elkaar ontmoet hebben. 7 jaar geleden tijdens een tripje naar Frankrijk met een leraar. Die nam elk jaar een aantal studenten mee om klusjes te doen bij zijn huis dat toevallig vlak in de buurt staat van de boerderij waar ze nu woont. Het lijkt soms alsof het gisteren was dat ze mee ging naar de motor beurs in Bergerac en daar een tikkeltje vreemde niet onaantrekkelijke man zag staan die niet kon stoppen met vloeken en constant met zijn hoofd vreemde stuiptrekkingen maakte terwijl hij haar indringend aankeek. Ze had zich er aan geërgerd en was naar hem toe gegaan om te vragen wat zijn probleem nu eigenlijk was.

Toen hij zag dat ze naar hem toe kwam lopen, riep hij ‘God non de ju wat een lekker wijf is dat!’ En op merkwaardige wijze vond ze die directe uitspatting ontzettend aantrekkelijk. Later kwam ze er achter dat hij Jill de la Tourette heeft. Dat hij er feitelijk niets aan kon doen dat hij haar zomaar een ‘lekker wijf’ noemde. Jules reist de hele wereld over om lezingen te geven over Jill de la Tourette. Hij zoekt ook andere mensen met die aandoening om te spreken en daarom zit hij nu in Groenland. Ze is een aantal jaar met hem mee gereisd. Toen hij nog niet zo succesvol was en er soms nog ruimte was voor een leuk etentje tussendoor. Maar tegenwoordig heeft hij daar op zijn zakenreizen geen tijd meer voor. En omdat er genoeg geld was, heeft hij haar toen de kans gegeven haar droom waar te maken. Een varkens boer- derij in Noord Frankrijk. Jules komt tussen zijn reisjes door af en toe een of twee weken thuis en dan gaat hij weer weg. Zo ziet haar leven er nu uit. Een rustig, kalm bestaan dicht bij de natuur. Ze leest veel, zorgt voor de dieren, kookt voor zichzelf, gaat af en toe naar het dorp voor boodschappen en een enkele keer naar een stad in de buurt om een expositie of museum te bezoeken. Ze is gelukkig, in haar sobere soms een tikkeltje saaie leventje. Ze heeft nooit iets anders verlangd. Met een dof geluid slaat ze haar boek dicht en staat op vanuit haar stoel. Ze loopt naar het aanrecht waar ze aan de afwas begint die er nog staat van haar avondeten. Het is uiteindelijk gebraden kip geworden die haar zeker niet minder heeft gesmaakt dan de Confit de Ganard zou hebben gedaan. Nadat ze het enkele bord en de pannen heeft schoon geschrobd en in het rek heeft gezet om te drogen voelt ze aan haar vermoeide lichaam dat het tijd is om naar bed te gaan. Als het meisje de volgende ochtend nog voor het licht is wakker word, heeft ze een vreemd gevoel in haar maag. Alsof er iets tot leven is gekomen dat eigenlijk verteerd had moeten worden. Het zal de kip wel zijn geweest. En waarschijnlijk heeft ze gewoon honger. Ze zwaait haar benen over de rand van het bed en zoekt met een schuivende beweging haar wollen instap pantoffels die op de eikenhouten vloer liggen. Ze staat op, slaat de badjas die over een kleine rood geverfde stoel hangt om haar naakte lichaam en gaat de stijle trap af naar beneden. In de keuken legt ze een aantal blokken hout op de nog smeulende kolen in de open haard. Dan bereid ze een licht ontbijt voor zichzelf dat ze opeet aan de lange keukentafel terwijl ze nog een aantal pagina’s van het boek leest. Terwijl ze de laatste slok van de melk uit haar glas doorslikt kijkt ze de keuken rond. Veel elementen uit de keuken zijn nog in authentieke staat. Het zware ijzeren gasfornuis met ronde oven, de tegeltjes erboven. Er stonden zelfs nog oude koperen potten en pannen die ze heeft opgepoetst toen ze het huisje kochten. Ze heeft hier in de jaren dat ze hier woont heel wat uren doorgebracht en vind dit de fijnste plek van het huis.

Ze schuift de rieten stoel naar achter als ze op staat en begint de tafel leeg te ruimen. Als ze het schaaltje waar de havermout in gezeten heeft af staat te wassen hoort ze een vreemd geluid achter zich. Het lijkt op een soort gegrinnik. Een heel hoog lachje. Ze draait zich om richting de open haard maar ze kan niets vreemds ontdekken. Ze besluit dat ze het zich verbeeld zal hebben en gaat verder met het afwassen van het bestek. Het zeepsop prikt in een wondje dat ze gisteren heeft opgelopen bij het snijden van de groenten. Als ze met de afwasborstel de binnenkant van het glas schoon maakt hoort ze het weer. Een hoog gegiechel. Een soort licht gehinnik eigenlijk. Maar als ze zich weer omdraait en de keuken doorspurt ziet ze wederom niets geks. Een vreemd gevoel bekruipt haar. Misschien moet ze weer eens iemand uitnodigen. Misschien is ze een beetje te veel alleen geweest de afgelopen tijd denkt ze peinzend. Ze besluit de radio aan te zetten waardoor de keuken zich vult met een stom top 40 nummer over een cheerleader. Gelukkig blijft het geluid weg en gaat ze na de afwas naar boven om zich aan te kleden. Ze trekt haar werkkleding aan en beneden op de deurmat haar regenlaarzen en zet haar beige vissershoedje op haar hoofd dat ze meestal draagt als ze de varkens gaat voeren. Ze opent de voordeur en de koude ochtend komt haar met een frisse wind tegemoet. De stal is niet zo ver bij het huis vandaan. Op steenworp afstand. Als ze die richting op loopt hoort ze het gegrinnik weer. Maar dit keer hoort ze niet alleen gelach, ze hoort nu ook het geluid van een stofzuiger en ander gestommel uit de stal komen. Nu begint ze al die geluiden toch wel een beetje vreemd te vinden. Wie zou er in hemels naam aan het stofzuigen zijn in een varkensstal op dit uur van de dag? Ze versnelt haar pas en zwaait met een gierend geluid de zware deur van de stal open. Het duurt een aantal seconden tot er tot haar door dringt wat ze ziet, en twijfelt dan of ze wel kan geloven wat ze ziet. De stal is brandschoon. De vloer is aangeveegd, gedweild. De hekken zijn afgestoft en opgepoetst. Alle hooi en stro is verdwenen en er is nergens meer een spatje varkens poep te bekennen. Haar neus vult zich met een geur van chloor en citrus achtige allesreiniger. Ze staat muisstil. De varkens koppen draaien in haar richting. De varkens staan allemaal rechtop. Op hun achterpoten. Elk hebben ze een schort om, of een theedoek om hun kop geknoopt. Ze staren haar langdurig aan met in hun kraalogen een lege blik. Ze staart verstijfd terug. Dan keren ze zich weer op hun schoonmaak werk­zaam­heden.

Verbijsterd staart het meisje naar het varken Rik die met een stoffer en blik de laatste restjes voer opveegt. Het zwijn dat ze Thijmen genoemd heeft staat met een doekje en koperpoets een koperen stang op te poetsen. Het meisje draait zich zwijgend om. Doet met een klap de deuren dicht en blijft tien seconden lang staan met haar rug tegen de gesloten deuren. Haar ogen dicht. Daarna doet ze extra langzaam de deur weer open terwijl ze haar ogen nog steeds dicht geknepen houd. Hopend dat de varkens knorrend door de modder rollen gewoon zoals varkens horen te doen zodra ze haar ogen zal openen. Maar als ze haar ogen weer open doet gaan de varkens ongestoord verder met schoonmaken. Een varken dat nog niet zo lang geleden gebigd heeft, staat met een bezem tussen haar hoeven spinnenwebben weg te halen uit de hoek van het plafond. Over haar twaalf tepels hangt een roze schort waarop een paarse eend staat die zijn duim op steekt. De linten van het schort zitten met een keurige strik achterop haar rug vastgeknoopt. Het meisje kan haar verbijstering niet langer binnenhouden en slaakt een kreet uit die niet voor herhaling vatbaar is. ‘Wat is er met jullie aan de hand?’ Roept ze uit terwijl ze met haar handen een zwaaiend gebaar maakt. Het zwijn dat ze Thijmen heeft genoemd draait zijn kop naar haar toe en kijkt haar aan. Het meisje ziet dat zijn ogen opvallend droevig staan. Ze valt direct stil en laat haar armen weer naast haar lichaam zakken. Ze heeft een varken nog nooit zo’n trieste indruk zien maken. Het is duidelijk dat hij zelf ook niet erg content is met zijn huidige staat. ‘Ik moet iets doen.’ Mompelt het meisje. Ze rent naar het huis waar ze haar telefoon pakt en gehaast het nummer van Jules opzoekt. Bevend houd ze het ouderwetse telefoontje tegen haar oor geklemd terwijl ze luistert naar het gepiep. Hij gaat zes keer over en dan word er opgenomen. ‘Met Jules. Godverdomme senip. Krijg de kolere.’ Hoort het meisje ver weg. Het geluid is niet al te best. ‘Jules!’ Het meisje slaakt een zucht als ze zijn stem hoort. ‘De varkens! Ze.. ze.. zijn niet normaal! Ze zijn aan het schoonmaken! Ik weet niet wat ik moet doen!’ Stamelt ze. ‘Tering Tieten. Ik versta je heel slecht. Zeg het nog eens. Ik weet niet - kggggggggt - ..aar ik - kkgggggt” hoort ze Jules antwoorden. Maar de verbinding is zo slecht dat ze sommige woorden niet meekrijgt maar alleen maar gekraak hoort. Ze begint nu echt een beetje in paniek te raken. ‘Jules, de varkens! Ze zijn ineens aan het schoonmaken. Ze hebben zelfs schortjes om en gebruiken bleek en alles reiniger! Dat is toch niet normaal? Varkens horen dat helemaal niet te doen. Ik weet niet wat ik moet doen Jules.’ roept ze weer paniekerig. Maar het laatste kan hij nooit gehoord hebben, want de verbinding is verbroken. Bijna hijgend laat ze de telefoon zakken, stopt hem snel in haar jaszak en rent terug naar de stal. In de stal doet ze het hek open en duwt de varkens een voor een naar buiten. Het lijkt haar het verstandigst ze even uit deze omgeving weg te halen. Als laatst gaat ze het varken Manus halen die treuzelend nog een laagje stof van een plank afveegt. Als ze Manus met zijn dikke billen naar buiten heeft geduwd ziet ze dat de varkens nu zijn begonnen het erf op te ruimen. Thijmen is de blokken hout die nog over het erf verspreid lagen aan het verzamelen. Manus staat het gras te maaien en Rik harkt de bladeren uit het grint. De adem van het meisje stokt in haar keel en haar lip begint te trillen. Dit kan toch niet? Weer pakt ze haar telefoon om nu de dierenarts te bellen. Maar schijnbaar is de verbinding niet alleen vanuit Groenland slecht, want ze krijgt geen gehoor. Ze zal zelf naar het dorp moeten rijden om de dokter te spreken.

Als ze binnen haar autosleutels gaat pakken en langs het kleine muurtje dat grenst aan het voor tuintje loopt, hoort ze het gegiechel weer. Dit maal komt het geluid van vlak naast haar. Ze blijft stil staan en kijkt om zich heen. De eerste paar seconden kan ze niets ontdekken maar dan springt er iets opmerkelijks bovenop het muurtje. Met een klapperend geluid probeert een paarse eend met zijn vleugels wapperend zijn evenwicht te houden op het muurtje. Weer moet het meisje even met haar ogen knipperen. Als de eend zijn vleugels stil houd ziet ze dat er een klein mannetje tussen zijn vleugels zit. Het mannetje heeft een wit baardje en een paars mutsje. Door zijn witte baard zou je op het eerste gezicht zeggen dat hij bejaard is maar als je beter kijkt dan zie je dat hij niet oud en ook niet jong lijkt. Een soort leeftijd loos gezicht. Zoals sommige dieren of mensen hermafrodiet zijn. Het mannetje kijkt het meisje glimlachend aan als hij zijn handje in de lucht steekt en giechelend zegt: ‘Hallo meisje! Treg Rabmud is de naam. Wat een prachtige dag om jou te ontmoeten. Een fantastische dag om jou te ontmoeten als je het mij vraagt.’ Het meisje wilt haar mond open doen om iets te zeggen maar kan naast een licht gepiep geen geluid uit haar keel krijgen. Zwijgend kijkt ze hoe de kabouter behendig van de rug van de gans afglijd. Als hij met zijn kleine paarse laarzen bovenop het steen terecht komt slaakt hij een hoog gilletje. ‘Woei..! Het is lang geleden dat ik eend heb gereden. Ik zit dan toch liever op een kikker, die zijn iets lager snap je.’ zegt hij terwijl hij zijn paarse suède jasje recht trekt en nog iets rechter op gaat staan. Het meisje volgt zijn voorbeeld en schraapt haar keel. Ze moet zich nu echt herpakken want ze vermoed dat deze kabouter met paarse gans iets te maken heeft met het vreemde gedrag van de varkens. ‘Wat komt u hier doen? Weet u wat er met mijn varkens aan de hand is?’ De kabouter giechelt met een snerpend gepiep. ‘Oh vind je het niet schitterend!’ Roept Treg als hij verheugd van zijn ene been op de ander hupst. ‘Ik persoonlijk vind het altijd schitterend als een dier aan het schoonmaken slaat. Een tikkeltje onnatuurlijk is het wel, maar toch schitterend.’ ‘Maar waarom doen ze zo? Ik moet u eerlijk zeggen dat ik het gedrag van mijn varkens niet zou bestempelen als schitterend.’ zegt het meisje. ‘Och. Schitterend of niet schitterend. Het word in ieder geval lekker schoon. Die stal kon wel een poetsbeurt gebruiken als je het mij vraagt.’ zegt Treg triomfantelijk.‘Wat weet u daar van? Bent u al eens in de stal geweest?’ ‘Ja natuurlijk.’ antwoord Treg. ‘Wat gaat er nu met die varkens gebeuren? Ik zou graag willen dat ze weer gewoon worden. Het is niet normaal voor varkens om zo’n schoonmaak drift te hebben. Voor mensen is zo’n obsessie al ongezond, laat staan voor varkens!’ zegt het meisje. De kabouter kijkt het meisje onbegrijpend aan. “Jullie mensen zijn soms een ontevreden soort. Het is ook nooit goed. Geef je ze paarse eend te eten, gaan ze lekker schoonmaken. En dan later zeuren dat je het ongezond vind. Geef ze dan geen paarse eend te eten zou ik zeggen!” Na een aantal seconden herinnert het meisje zich de Confit de Ganard die de varkens die dag ervoor hebben gegeten. “Was die Confit de Ganard van een paarse eend?” De kabouter knikt. ‘Ja. Wat dacht je zelf. Heerlijk zijn ze. Die paarse eenden.’ ‘Ik wist niet eens dat paarse eenden bestonden als ik eerlijk ben. En zeker niet dat je ze gewoon in de supermarkt kunt kopen.’ De kabouter begint hardop te lachen. ‘Zonde dat je ze aan de varkens gevoerd hebt hoor. Maar goed. Ze zijn nu wel lekker fris.’ Het meisje begint nu een klein beetje ongeduldig te worden. ‘Wat is er nu met ze aan de hand, en beter nog; hoe houden ze ermee op. Mijn varkens moeten gewoon varken kunnen zijn. Ze moeten geen smetvrees hebben.’ Treg Rabmud de kabouter slaakt een zucht en gaat op het muurtje zitten als hij met zijn ogen rolt.

‘Nou vooruit. Ondankbaar mens. Ik zal het je vertellen. Die varkens hebben door het eten van de Confit de Ganard een filter gekregen. Dat hadden ze voorheen niet. Maar een paar diersoorten, waaronder mensen hebben een filter. Paarse eenden hebben ook een filter. Maar die hebben niet zo’n behoefte aan een schoon huis. Varkens blijkbaar wel.’ De kabouter giechelt weer. Hij lijkt het maar al te grappig te vinden dat die varkens zich zo gek gedragen. Het meisje gaat zuchtend naast hem op de muur zitten. ‘Wat moet ik doen zodat ze weer normaal worden?’ Vraagt ze hoopvol. De kabouter giechelt en haalt daarna hard zijn neus op.

‘Oh. In dit geval heb ik iets van jou nodig.’ ‘Van mij?’ Vraagt het meisje. ‘Ja. Jij bent immers degene die ze de Confit de Ganard te eten gegeven heeft toch?’ Zegt Treg. Het meisje knikt. Weer voelt ze het vreemde gevoel in haar maag. ‘Wat heeft u van mij nodig?’ vraagt ze. ‘Ik heb je filter nodig. Een dagje maar. Of twee. Maar heus niet langer. Of nou ja misschien iets langer dan twee dagen maar dat zien we wel. ‘Je hebt mijn filter nodig? Maar hoe geef ik die dan weg? Waar zit dat filter dan precies?’ De kabouter wijst met zijn dikke vingertjes naar zijn hoofd, dan laat hij ze zakken en houd ze stil vlak boven zijn lies. ‘Van hier tot hier ongeveer. Maar maak je maar geen zorgen. Het doet geen pijn. Ik heb ontelbare keren een filter bij iemand verwijderd. Het is echt geen probleem.’ zegt de kabouter. ‘Wat je eerst moet doen, is het muurtje likken. Zo ongeveer.’ En met een vies gezicht kijkt het meisje toe hoe de kabouter plat op zijn buik gaat liggen en met vlakke tong over de bemoste stenen gaat. Het meisje is gelukkig nuchter genoeg om in te zien dat het geen kwaad kan om een muurtje te likken. Ook al is het misschien een beetje vreemd. Ze zou het anders afgeslagen hebben maar omdat ze de situatie met de varkens uiterst serieus neemt zal ze dit toch een kans moeten geven. Ze bukt zich voorover en brengt haar gezicht bij het muurtje. Haar wang raakt even de kabouter die gniffelend van zijn ene op zijn andere beentje gaat staan alsof hij nodig moet plassen. Ze knijpt haar ogen stijf dicht en steekt langzaam haar tong uit. De aarde, het mos en de stenen voelen koud aan en smaken bitter. Een smaak die ze niet direct had verwacht bij het fris ogende mos. Haar tong begint te tintelen. Als ze haar ogen open doet voelt ze dat de tintelingen zich door haar hele mond verspreiden. Haar blik op de kabouter word steeds De tintelingen vloeien nu door haar hoofd, haar nek en haar schouders. Haar zicht word steeds vager en ze begint te wankelen. Nog voor ze de grond raakt is ze buiten bewustzijn.

2

Als ze weer bij komt ligt ze met haar gezicht naar beneden in de vochtige aarde. Ze opent haar ogen merkt dat haar maag weer vreemd doet. Ze spuugt gorgelend het zand en de aarde uit haar mond. Wat is er ook al weer zojuist gebeurt? Ze kruipt kreunend overeind en loopt richting de stal. Halverwege de heuvel herinnert ze zich de schoonmaakwoede van de varkens. Als ze de deur open wilt doen staat ze even stil. ‘Dat was het. De varkens… De kabouter… Treg Rabmud… Mijn filter?’ Denkt ze hardop. Terwijl de deuren open zwaaien slaat de geur van varkens poep haar in het gezicht. Hoewel ze aan de geur gewend is geraakt in de jaren dat ze met varkens werkt, voelt ze een brok in haar keel en begint ze te kokhalzen. Ze klapt voorover en drukt haar hand tegen haar mond maar de warme golven met haar half verteerde ontbijt stromen al langs haar vingers naar beneden op de stalvloer. Ze geeft een aantal keer over en dan kalmeert haar maag enigszins. Als ze weer rechtop gaat staan biggelen de tranen over haar wangen door de zure smaak in haar mond. Ze moet eerst bijkomen van haar plotselinge misselijkheid waardoor het niet direct tot haar door dringt dat de varkens met hun vette lijven in de modder liggen. Het zwijn dat ze vorig jaar van een boer in Roermond heeft gekocht en waarbij ze lang over zijn naam heeft getwijfeld (Ze dacht eerst aan Gibraltar maar ze heeft nu toch voor Joop gekozen) kauwt met een tevreden blik op een stuk stro waar de klonterige uitwerpselen in vast geplakt zitten. Manus ligt met zijn kop op de dikke pens van Rik te slapen. Alles ziet er weer volkomen normaal uit. De varkens zijn weer hun eigen smerige zelf. Het meisje is blij maar ze voelt zich zo vreemd dat ze er geen uiting aan kan geven. Ze voelt zich leeg maar tegelijkertijd zit haar hoofd vol. ‘Ik moet iets gaan doen. Ik moet hier weg.’ Zegt ze hardop voordat ze er erg in heeft. Ze draait zich om en loopt richting het huis. Ze speurt het terrein af om te kijken of ze ergens de kabouter kan ontdekken. Maar nergens ziet ze Treg of zijn paarse eend. Als ze de keuken binnen loopt bedenkt ze zich dat ze misschien iets moet proberen te eten. De misselijkheid is weggetrokken en ze heeft nu een onbeduidend leeg gevoel in haar maag. Ze kijkt in alle keukenkastjes, in de koelkast en zoekt in de voorraadkast. Nergens kan ze iets vinden dat voldoet aan haar smaak dat moment. Ze loopt de keuken uit en gaat de trap op naar boven. In haar slaapkamer ploft ze op bed en zakt achterover met met haar hoofd in het kussen. Ondanks het onrustige gevoel merkt ze dat ze ontzettend moe is. Binnen een halve minuut slaapt ze.

Het meisje slaapt de rest van de dag, de hele nacht en word de volgende dag rond het middag uur pas wakker. Als ze wakker word voelt ze weer diezelfde onrust die haar direct uit bed doet gaan. Ze trekt haastig een spijkerbroek aan die ze eigenlijk eerst had willen wassen en trekt een rode sweater over haar hoofd. Met haar haar nog warrig van het slapen banjert ze de trap af met een groot kabaal. Ze heeft een ontzettende honger. Uit de koelkast pakt ze een pak ontbijt drink die ze aan haar lippen zet en bijna tot de bodem leeg drinkt. Het laatste beetje blijft over en dat zet ze terug in de koelkast zonder er aan te denken dat ze een enorme hekel heeft aan die gewoonte. ‘De varkens moeten eten. Die zullen ook wel honger hebben!’ Denkt ze. Ze trekt haar laarzen aan als ze verbaast ziet dat ze twee verschillende sokken heeft aangetrokken. Ze heeft helemaal niet doorgehad dat ze überhaupt sokken aan trok. Het valt haar ook op dat haar grote teen van haar linkervoet door een klein gaatje in de sok heen steekt.

Geërgerd trekt ze de sok uit en glijd met haar blote voet de laars in. Ik moet echt nieuwe sokken hebben. Denkt het meisje als ze haar andere laars aantrekt. Die zou ze mooi kunnen halen bij de Supermarche in het dorp. Daar verkopen ze hele fijne sokken. Die zelfde sokken heeft ze ooit nog van die aardige leraar cadeau gehad. Hoe zou het met hem zijn? vraagt ze zich af. Zou de supermarche open zijn? Het zou zomaar kunnen dat hij al dicht is. Ze heeft eigenlijk geen idee hoe laat het is. Ze kijkt op het kleine gouden horloge dat ze om haar linker arm draagt. Maar haar gedachten zijn al weer ergens anders waardoor ze niet in zich opneemt hoe laat het nu eigenlijk is. Als ik in de supermarche ben, kan ik ook direct een nieuwe kaasschaaf halen. Denkt ze bij zichzelf. Ze loopt richting haar auto en komt er halverwege achter dat ze haar sleutels is vergeten. Die liggen waarschijnlijk nog op de schouw van de open haard. Ze draait zich weer om en loopt terug naar het huis. Maar als ze in de keuken staat is ze vergeten wat ze nu ook al weer kwam doen. Ze loopt naar de koelkast en pakt er een stuk kaas uit. Ze heeft nog steeds behoorlijke trek. Als ze een keukenla open doet herinnert ze zich de kaasschaaf en dat ze eigenlijk naar de Supermarche wilde gaan. Ze grist de sleutels van de schouw af en loopt weer naar haar auto terwijl ze de kaas op op aanrecht laat liggen.

Ze gaat in de stoel zitten en blijft seconden lang in gedachten verzonken voor zich uit staren. Dan schrikt ze op uit haar gedachten en start de motor. Het is 10 minuten rijden naar het dorp. Ze rijd langs het glooiende landschap waar ze normaal gesproken zo van kan genieten. Maar dit keer is ze te ver weg met haar gedachten. Een oud nummer klinkt door de radio. Het doet haar denken aan de keren dat ze met haar ouders en broers op vakantie ging toen ze nog klein was. Ze zaten met zijn 3en achterin de auto geperst en terwijl ze mee zong met de muziek ontweek ze de venijnige uithalen van haar oudste broer en de gemene schoppen van haar middelste broer. Ze vervulde zoals altijd de rol van het kleine zusje, de benjamin die volgens haar broers alleen maar verwend werd. Zelf vond ze dat wel meevallen. De muziek stopt en ze drukt op de knopjes van de autoradio. Als ze een aantal zenders verder zapt klinkt het nummer over een cheerleader door de speakers. Het meisje kijkt nadenkend. Ze heeft dit nummer onlangs toch nog gehoord? Ze denkt na over cheerleaders, dan denkt ze na over een gerecht dat ze laatst wilde maken. Ze kan zich de ingrediënten niet herinneren. Zonder dat ze het door heeft rijd ze met een vaart die ver boven de snelheid limiet uit gaat de smalle straatjes van het dorp binnen. Terwijl ze nu nadenkt over de hoeveelheid ballonnen die men nodig zou hebben om een huis op te laten stijgen beseft ze ineens dat ze allang voorbij de supermarche is gereden. Ze stopt om rechtsomkeert te maken en kijkt de straat over of er verdwaalde honden, katten, kabouters of voetgangers lopen. Dan valt haar blik op het uithangbord waar ‘Plaatselijke kroeg’ in het frans op staat. De kroeg heeft donkere houten kozijnen en de ramen zijn bijna te smerig om door heen te kunnen kijken. Maar door het schemerige licht ziet ze dat er toch vrij veel mensen binnen zitten. Het ziet er best gezellig uit.

Ze voelt een onrust die nu zo constant aanwezig is dat ze eraan gewend begint te raken. Zal ze even gaan kijken? Ze woont hier nu al jaren en is er nog nooit binnen geweest. Waarom ook eigenlijk niet? Ze zet haar auto aan de kant van de weg en nadat ze nog 2 keer heen en weer van de kroeg naar haar auto is gelopen omdat ze eerst haar sleutels en daarna haar portemonnee vergat mee te nemen neemt ze plaats aan de bar.

Ze besteld een halve liter bier bij de nogal zwaarlijvige barman van middelbare leeftijd die druk glazen staat te poleren. De man kijkt het meisje nieuwsgierig aan als ze het bier in een keer achter over slaat. ‘Bent u een toerist?’ vraagt de barman. Maar het meisje is alweer afgeleid door het belletje dat klingelt tegen de opengaande deur. Het geklingel gaat gepaard met een zware schaterlach opgevolgd door een diepe mannenstem die iets lallend roept over het omzagen van bomen en een kip die op stok gaat. Een lange breed gebouwde man van rond de 30 komt de benauwde ruimte binnen stappen. Hij draagt een groene met bloed besmeurde overal en maakt met zijn warrige haar en hoekige gelaatstrekken een verwilderde indruk. Dierlijk bijna. Het bloed is afkomstig van een dode eend die slapjes over zijn schouder is gedrapeerd. Het is donker in de ruimte, en doordat de eend vooral rood is door het bloed ziet het meisje later pas dat de veren van de eend paars zijn. ‘Heb jij een paarse eend?’ Roept het meisje. Ze springt iets te enthousiast van haar barkruk waardoor die met een kletterend kabaal tegen de bar aanvalt. De man met de eend kijkt verbaasd haar kant op. Hij lijkt even te moeten wennen aan het donker maar dan verschijnt er een brede grijns op zijn gezicht. ‘Dat heb je goed gezien mevrouw.’ Zegt hij als hij op haar af komt lopen. ‘Mag ik me even voorstellen? Zo’n mooie vrouw zie je niet vaak in dit godvergeten gehucht. Boor is de naam.’ Hij pakt haar hand beet en schud die hardhandig.

Het meisje wilt haar naam zeggen maar Boor heeft zich al weer omgedraaid richting de barman. ‘Doe mij eens 2 cognac Remy!’ De barman schenkt met de behendigheid van een hagedis twee opgepoetste glaasjes in. Boor neemt ze gretig van hem over en zet er een met een klap neer voor de neus van het meisje. ‘Cheers!’ zegt Boor als hij de cognac naar binnen slurpt. Het meisje steekt het glaasje met cognac in de lucht en schreeuwt. ‘Proost!’ Ze slaat de cognac achterover waarop ze zich verslikt en begint te hoesten. Boor slaat met zijn vlakke hand op haar rug en begint hardop te lachen. Het meisje begint ook te lachen en hoest tegelijkertijd. Lachend en hoestend besteld ze nog twee cognac. Ook die slaan ze achterover. Als het meisje haar derde cognac besteld ziet ze dat Boor de eend op een tafeltje in de hoek van de ruimte legt. Hij legt een theedoek die hij van Remy de barman gekregen heeft over het eenden lijk heen. Het meisje wilt vragen hoe Boor aan de paarse eend komt, maar het lijkt of elke prikkel haar te veel is en raakt afgeleid door het derde cognacje dat voor haar op de bar word gezet. Ze voelt dat het beter zou zijn als ze even zou gaan zitten, ze is niet gewend aan zoveel alcohol maar ze heeft niet de rust om dit ook daadwerkelijk te doen. Ze wilt veel liever dansen. Na hun vierde cognac duwt ze een paar stoelen aan de kant en roept ze lallend naar de barman ‘Zet die muziek harder!’ Boor lacht zijn gele tanden bloot als ze hem aan zijn arm de geïmproviseerde dansvloer optrekt. Omdat ze allebei behoorlijk dronken zijn is hun coördinatie niet optimaal en stoten ze met regelmaat stoelen om. Maar ze lijken de grootste lol te hebben. Ze zijn zo luidruchtig als brul apen en zo lomp als nijlpaarden. Ze praatten aan een stuk door, het ene onsamenhangende verhaal na het andere. Op het volume waar je oorschelpen van barsten.

Na nog een aantal cognac besteld Boor een fles whiskey. Het meisje gaat naast hem aan de bar staan. Ze kijkt naar zijn guitige kop terwijl ze over het houten blad van de bar heen hangt, niet meer in staat recht op te staan. ‘Weetje.’ zegt het meisje. ‘Je bent een godverdomde lekkerding. Ik denk dat je me moet kussen.’ Boor draait zich naar haar toe. ‘Meen je dat meisje?’ zegt hij met dubbele tong. Het meisje kijkt hem aan. Ze ziet zijn gezicht dubbel. Het dubbele gezicht veranderd in een driedubbel gezicht als hij zich voorover buigt en zijn lippen ferm op de hare drukt.